Banda

De Banda Eilanden liggen in de Zuid-Molukken, in het oostelijk deel van Indonesië, ruim één uur vliegen vanaf Ambon. Dit eilandenrijk rondom de vulkaan de Gunung Api is niet groter dan 1/3 van Tessel, maar van grote historische betekenis en prachtig van natuurschoon. De eilanden rijzen op uit een oceaan die 4 tot 6 kilometer diep is, en hebben een totale oppervlakte van ongeveer 42 km2. De Bandazee vormt een geliefd duikparadijs; onder anderen Jacques-Yves Cousteau heeft het gebied diverse malen bezocht. De actieve vulkaan Gunung Api is geregeld uitgebarsten, voor het laatst in 1988. Er liggen nog tal van V.O.C.-forten, graven van leden van oude perkeniersfamilies en er zijn diverse oude perkenierswoningen. Een perkenier is een beheerder van een nootmuskaatplantage.

Banda is klein. Het telt zo'n vijftienduizend inwoners en heeft maar één plaats van betekenis: Banda-Neira, op het gelijknamige hoofdeiland. Een eiland van slechts enkele vierkante kilometers. De totale archipel telt zeven eilandjes en enkele onbewoonde rotsen. Centraal naast Banda-Neira ligt de vulkaan Gunung Api en tegenover Banda-Neira (waar ook het kleine vliegveld ligt) ligt het eiland Lonthor.


De nootmuskaat van Banda was in de V.O.C.-periode zeer goede handelswaar, waar veel vraag naar was. De VOC wilde om die reden een handelsmonolopie op de nootmuskaat van Banda, maar de Bandanese bevolking wilde zelf bepalen met wie zij handel wilde drijven in de zo fel begeerde noten en foelie. Immers ook de Engelsen en Portugezen waren graag bereid de nootmuskaat te kopen van de Bandanese bevolking. Deze weigerachtige houding van de bevolking leidde uiteindelijk tot een aantal incidenten met de VOC waarbij o.a. een van de VOC-onderhandelaars, admiraal Verhoeff, in 1609 vermoord werd door de eilandbewoners. De VOC had groot belang bij de nootmuskaathandel, omdat Banda op dat moment de enige plek ter wereld was waar nootmuskaat werd geleverd. De vraag vanuit Europa naar nootmuskaat was erg groot. Er viel dus veel te verdienen aan deze handel. Maar de Bandanezen bleken niet bereid Holland het monopolie op deze handel te verschaffen; zij wilden ook met andere naties zaken doen. Tot woede van de Hollanders!


Uiteindelijk heeft dit in februari 1621, nadat er tussentijds telkens conflicten gerezen waren tussen de VOC en Bandanese onderhandelaars, geleid tot een verschrikkelijke genocide onder de oorspronkelijke bevolking van 3000 Bandanezen door de VOC.
Deze werd in opdracht van Jan Pieterszoon Coen uitgevoerd. Deze genocide kwam J.P. Coen op een ´milde berisping´ van de Heren XVII(bestuur VOC in Amsterdam) te staan, maar later beloonden zij hem voor de verovering van de nootmuskaateilanden.

Consequentie van deze genocide was dat de nootmuskaatplantages op de Banda-eilanden geheel ontvolkt waren. Jan Pieterszoon Coen verzocht de Heren XVII daarom de plantages als 'perken' te laten beheren door uit Holland afkomstige mannen. Deze zogenaamde 'perkeniers' beheerden de nootmuskaatperken, hielden slaven en leverden de oogst aan nootmuskaat (2 maal per jaar werd geoogst) aan de VOC. De perkeniers ontvingen hiervoor een vastgesteld bedrag van de VOC. Dit zogenaamde 'perkeniersstelsel' startte in 1626. Heel Banda werd toen verdeeld in 68 nootmuskaatperken. De perkeniers zelf woonden op Neira, de stad waar het dorpsleven zich afspeelde. Wat op Lonthor nu nog te zien is zijn dus de perken zelf en de plantagewoningen. De nootmuskaat werd opgeslagen in door de VOC vervaardigde forten.

Vroeger woonden de perkeniers op het hoofdeiland Banda Neira, de stad waar het dorpsleven zich afspeelde. Een paar keer per week gingen zij vanaf Banda Neira per boot naar het eiland Lonthor om daar hun nootmuskaatperk te inspecteren. Hun personeel(vroeger slaven tot halverwege de 19e eeuw) woonde in de perkwoning. Van de 68 nootmuskaatperken op de Banda Eilanden is nu alleen het nootmuskaatperk Groot Waling, op het eiland Lonthor overgebleven.

In de periode van de 17e eeuw tot de 20e eeuw werden grote hoeveelheden nootmuskaat van Banda naar Holland verscheept. De perkeniers kregen van de VOC een vast percentage van de winst op deze handel en leefden daar over het algemeen goed van. Na het faillissement van de VOC in 1800 leverden de perkeniers hun nootmuskaat aan het Nederlands Gouvernement. In 1865 kwam hier een einde aan en mochten de perkeniers zelf bepalen aan wie zij de nootmuskaat leverden. Daardoor nam de welstand van de perkeniers behoorlijk toe, maar omdat ook elders op de wereld inmiddels nootmuskaat werd geleverd, nam deze welstand eind 19e eeuw snel af. Het aantal perken verminderde doordat perkeniers naar elders waren vertrokken.


Perkenier Wim van den Broeke ontmoet Prins Berhard op Banda(April 1991)

Behalve vele nazaten van perkeniers die ooit actief waren op de Banda Eilanden(ikzelf bezocht perkenier Wim van den Broeke in 1992 op Banda), zijn de Banda Eilanden ook bezocht door een aantal bekende Nederlanders zoals, Prins Bernhard, voormalige Minister Pronk en de schrijvers Rudi Kousbroek en Remco Campert. Kousbroek en Campert waren vrienden van elkaar en hebben samen gezwommen in de Bandazee. Kousbroek stelde vaak dat als hij droomde over het Indië van vroeger hij vaak beelden van Banda voor zich zag. Het eilandengebied dat nog sterk doet denken aan het oude Indië van ´Tempo Doeloe´.

Bekende Indonesiërs die in Banda verbleven waren Mohammed Hatta en Soetan Sjahrir.
Beiden waren door de Nederlandse regering in 1934 verbannen naar Boven-Digoel en de Banda Eilanden vanwege hun protest tegen de kolonisatie. Hatta werd in het kabinet van Sukarno eerst tot vice-president en later tot premier van Indonesië benoemd. Sjahrir was in de periode 1945-1947 kort premier van Indonesië. Sjahrir schreef het bekende werk ´Indonesische Overpeinzingen´, waarin hij onder meer zijn tijd als banneling op de Banda Eilanden beschrijft. Hij had veel liefde voor deze eilandengroep en haar bewoners.
Tenslotte moet zeker Des Alwi genoemd worden, de ´Orang Kepala Lima´ van Banda. Toen hij als kind opgroeide op Banda, kreeg hij van Hatta en Sjahrir les in de periode dat beide verbannen waren op Banda. Na een opleiding in Engeland werd hij aanvankelijk diplomaat. Vervolgens verbleef hij een aantal jaren in Maleisië en kwam in 1968 op Banda terug en werd een soort ´burgemeester´ van deze eilandengroep. Hij heeft zich zeer ingespannen om Banda verder tot ontwikkeling te brengen en de voorzieningen op de eilanden te verbeteren.Dankzij zijn goede kontakten met de Indonesische Regering in Jakarta kon hij op Banda veel tot stand brengen. Hij had een eigen hotel op Banda. November 2010 overleed hij.