Perkeniers

Toen in 1621 Jan Pieterszoon Coen opdracht gegeven had tot afslachting van de oorspronkelijke bevolking van Banda was de consequentie van deze gruweldaad dat er geen personeel meer was om de nootmuskaatperken op Banda te beheren. Coen bedacht daarop een systeem om Nederlanders stukken perk te laten pachten van de VOC, waarbij zij met behulp van slaven als werkvolk de nootmuskaat konden oogsten, zodat transport daarvan naar Holland mogelijk werd.

Bij de start van dit perkstelsel in 1627 werden totaal 68 perken in beheer gegeven. 3 op het eiland Neira, 34 on het eiland Lonthor en 31 op het eiland Ay. Tweemaal per jaar kon de nootmuskaat worden geoogst en aan de VOC geleverd worden. De perkenier ontving een vergoeding voor deze levering, waarmee ook de slaven betaald konden worden. In 1845 werden de perken juridisch eigendom van de perkeniers. De meeste perkeniers waren 'verinlandst', hun vrouwen waren inlandse vrouwen die op last van de VOC christen werden. Regelmatig waren er aardbevingen en uitbarstingen van de vulkaan de Gunung Api, waardoor overstromingen plaatsvonden en woningen en veel perken zwaar beschadigd werden.

Na de afschaffing van de slavernij in de 19e eeuw bleken veel voormalige slaven niet bereid tegen betaling hun werk voort te zetten op de perken en moesten de perkeniers noodgewongen met minimale menskracht trachten het hoofd boven water te houden.

In 1864 verviel de verplichting voor de perkeniers nootmuskaat en foelie te leveren aan het Gouvernement. De perkeniers konden hun waren nu slijten bij Aziatische opkopers. Er ontstond een vrije markt. In 1870 werd 1 miljoen pond noten geproduceerd. Het ging het de perkeniers zeer voor de wind. In die periode betrokken veel perkeniers fraaie woningen op het eiland Neira en controleerden zij een paar keer per week de werkzaamheden van hun personeel.
Zowel op de perken op het eiland Lonthor, waar de meeste nootmuskaatperken waren, als elders op de Banda Eilanden.

Uiteindelijk trokken eind 19e eeuw steeds meer perkeniersfamilies weg naar Java en werd Banda 'een dode stad'.
Bij de souvereiniteitsoverdracht in 1949 werden de perken uiteindelijk genationaliseerd door de Indonesische Regering.
Alleen het perk van Groot Waling op het eiland Lonthor werd medio 1985, op verzoek van de familie Van den Broeke, beperkt in eigendom teruggeschonken(12,5ha). In Nederland wonen een groot aantal families die afstammen van de oorspronkelijke perkeniers van Banda, zoals de families Delmaar, Van den Broeke, Versteegh, Hermanus, Lans, Lantzius, Mulder, Hoeke, Hartog, Herrebrugh, Leunissen, Rijkschroeff, Brantz en Camerling.


Op dit moment is Pongky van den Broeke feitelijk de enige en laatste perkenier van Banda. Hij woont op de plantage Groot Waling(12,5 ha) op het eiland Lonthor. Zijn voorvader Paulus van den Broeke startte in de 17e eeuw het perk 'Welvaren' op het eiland Poeloe Ay. Meer dan 3 eeuwen was de familie Van den Broeke actief als perkeniersfamilie op Banda.

Wim van den Broeke, de vader van Pongky die begin 1999 overleed, was een bekende figuur op Banda. Ikzelf bezocht hem in 1992. Helaas heeft zich in najaar 1999 een drama afgespeeld op de plantage Groot Waling vanwege de onlusten tussen Christenen en Islamieten in de Molukken op dat moment. De weduwe van Wim van den Broeke, haar zuster, de vrouw van Pongky en twee kinderen werden op gruwelijke wijze vermoord. Pongky en twee van zijn kinderen hebben de slachtpartij gelukkig overleefd. Maar het drama werpt een schaduw over de plantage Groot Waling, waar het leven al die eeuwen zo vredig was.